Context / probleemstelling of aanleiding
Probleemstelling (inclusief theoretische onderbouwing en onderzoeksvraag/vragen):
Wetenschappelijke vorming is een belangrijk onderdeel van het raamplan voor de opleiding geneeskunde. Voor docenten is het echter niet eenvoudig om studenten hiervoor te motiveren. Dat roept de vraag op hoe onderwijs studenten kan motiveren voor wetenschap. Ommering (2018) vond dat motivatie bij beginnende geneeskunde studenten samenhangt met determinanten uit onder meer de zelfdeterminatietheorie, maar dit werd slechts in één UMC onderzocht, en kan ook UMC-specifiek zijn. Daarom onderzochten wij met de NVMO-werkgroep Wetenschappelijke Vorming het verband tussen deze determinanten en intrinsieke en extrinsieke motivatie bij startende geneeskunde studenten uit meerdere UMC’s.
Methode:
Aan het begin van het studiejaar (2024-2025) kregen eerstejaarsstudenten geneeskunde een gevalideerde vragenlijst over intrinsieke en extrinsieke motivatie voor onderzoek, en determinanten: self-efficacy, interest- en deprivation-curiosity, gepercipieerd belang van onderzoek en behoefte aan uitdaging (Ommering, 2018). Dit is gemeten met een zevenpunt Likertschaal, variërend van ‘zeer mee oneens’ tot ‘zeer mee eens’.
Motivatie is beschreven met gemiddelde (M) en standaarddeviatie (SD). Verschillen in motivatie tussen de UMC’s zijn geanalyseerd met ANOVA. Met regressieanalyse is het verband tussen de determinanten en motivatie gemeten.
Resultaten (en conclusie):
Uit zes UMC’s hebben 848 studenten geantwoord; zij gaven aan zowel intrinsiek (M=5,11; SD=0,89) als extrinsiek (M=5,15; SD=1,02) gemotiveerd te zijn. Ruim 60% gaf aan gemotiveerd (>= 5) te zijn voor onderzoek terwijl slechts 2% aangaf niet (<= 3) gemotiveerd te zijn. Zowel voor intrinsieke als extrinsieke motivatie verschilden de UMC’s significant van elkaar (voor beide p<0,001). De gemiddelde intrinsieke motivatie varieerde tussen UMC’s van 4,89 (SD=0,84) tot 5,27 (SD=0,85), de extrinsieke motivatie van 5,03 (SD=1,00) tot 5,63 (SD=0,78).
Intrinsieke motivatie hing positief samen met interest-curiosity (bèta=0,56; CI=0,49-0,62), gevolgd door gepercipieerd belang van onderzoek (bèta=0,52; CI=0,47-0,57), deprivation-curiosity (beta=0,35; CI=0,30-0,40), behoefte aan uitdaging (bèta=0,31; CI =0,27-0,36) en self-efficacy (bèta=0,31; CI=0,25-0,36). Deze verbanden verschilden niet significant tussen de UMC’s.
Ook extrinsieke motivatie hing positief samen met gepercipieerd belang van onderzoek (bèta=0,33; CI=0,26-0,40), gevolgd door interest-curiosity (bèta=0.33; CI=0,25-0,41), behoefte aan uitdaging (bèta=0,22; CI=0,16-0,27), deprivation-curiosity (bèta=0,21; CI=0,15-0,28) en self-efficacy (bèta=0,17; CI=0,10-0,23). Hoewel de relatie tussen gepercipieerd belang van onderzoek en de extrinsieke motivatie verschilde per UMC bleef deze positief.
De determinanten verklaarden gezamenlijk 44% van de variantie in intrinsieke motivatie en 15% in extrinsieke motivatie. Dit verschilde echter per UMC (intrinsiek: 40-50%; extrinsiek: 14-23%).
Samenvattend, de meeste studenten zijn aan het begin van hun opleiding geneeskunde behoorlijk gemotiveerd voor onderzoek. Intrinsieke en extrinsieke motivatie hangen positief samen met onderzochte determinanten, met name interest-curiosity en gepercipieerd belang van onderzoek. Deze uitkomsten gelden bovendien voor alle UMC’s.
Discussie (beschouwing resultaten en conclusie in het kader van de theorie):
Dit onderzoek toont aan dat veel beginnende studenten intrinsiek en extrinsiek gemotiveerd zijn voor onderzoek en dat percepties, self-efficacy, nieuwsgierigheid en behoefte aan uitdaging ook in het medisch onderwijs sterk samenhangen met vooral intrinsieke motivatie. Het is dus belangrijk om dit een plek te geven in het onderwijs, bijvoorbeeld met activerend en uitdagend onderwijs, praktijkvoorbeelden en keuzeruimte (e.g. Ommering, 2020).
Belangrijk is dat de studenten uit dit onderzoek pas net begonnen zijn met hun studie. Deze resultaten zeggen daarom nog niets over het onderwijs van de UMC’s. Longitudinaal vervolgonderzoek moet uitwijzen hoe de motivatie verandert gedurende de studie, en hoe het lokale curriculum en de plaats en vorm van het onderwijs met betrekking tot wetenschappelijke vorming hierop van invloed zijn. Zo willen we bijdragen aan evidence-based curriculum-ontwikkeling.
Referenties:
<i>Ommering BWC, van Blankenstein FM, Waaijer CJF, Dekker FW. Future physician-scientists: could we catch them young? Factors influencing intrinsic and extrinsic motivation for research among first-year medical students.</i> <i>Perspect Med Educ 2018;7:248-255.</i>
<i>Ommering BWC, van Diepen M, van Blankenstein FM, de Jong PGM, Dekker FW. Twelve tips to offer a short authentic and experiential individual research opportunity to a large group of undergraduate students.</i> <i>Med Teach. 2020;42:1128-1133.</i>